Arie en Janny Landwaart voelen zich geen import meer

Inburgeren in Bunschoten-Spakenburg vergaat buitenstaanders doorgaans prima. Toch blijft iemand van buiten het dorp ‘een vreemde’, of ‘een van buten Nolletje’. De Bunschoter laat een aantal van deze plaatsgenoten in een serie interviews aan het woord. Vandaag Arie en Janny Landwaart. In 1968 was het een hele stap om Hilversum voor Spakenburg te verruilen.

Vaak hebben de vreemden in deze rubriek aan hun nieuwe lokale geloofsgemeenschap een belangrijk houvast bij het inburgeren in Bunschoten-Spakenburg. Ze leggen er hun eerste contacten, sluiten vriendschappen en gaan vrijwilligerswerk voor de kerk doen.

Zo niet Arie en Janny Landwaart. Hij is thuis in Hilversum helemaal niet kerkelijk opgevoed, zij kreeg wel iets mee van het Nederlandse Hervormde kerk. Ze ontmoetten elkaar op dansles bij Alberto in Hilversum en trouwden in de kerk in Hollandse Rading, de toenmalige thuishaven van de geboren Rotterdamse.

Wederzijds respect

Daarmee houdt het wel op wat het geloof betreft. ,,En daar ben ik ook heel duidelijk over”, verklaart Arie. Pogingen om hem voor een kerkgang te enthousiasmeren zijn bij voorbaat kansloos. Dan doen ze dus ook niet bij het Spakenburgs Visserskoor, waar hij al vele jaren deel van uitmaakt en penningmeester en secretaris voor is geweest. ,,Bij het koor horen ze bijna allemaal bij een kerk, en ik als een van de weinigen niet. Daar maken we dolletjes over, maar er is vooral wederzijds respect.”

Nooit spijt gehad heeft hij van zijn komst naar het vroegere vissersdorp, dat herhaalt hij meerdere malen tijdens het interview. En Janny denkt er ook zo over. Wel was het een hele stap, ze noemen het zelfs een gok, om in 1968 een huis te kopen in die destijds toch wel afgezonderde gemeente in de polder.

Huis voor 31.000 gulden

Maar ja, een getrouwd stel had een huis nodig, in Hilversum was een jarenlange wachtlijst en Bunschoten-Spakenburg wilde groeien en maakte actief reclame voor betaalbare huizen aldaar.

Arie werd er op attent gemaakt tijdens zijn werk bij Philips in Hilversum. Hij had maandenlang tegen de poster op kantoor aangekeken waarop huizen in Bunschoten-Spakenburg werden aangeprezen. Toen ze samen een ritje door de omgeving maakten en op een verkeersbord zagen dat Spakenburg eigenlijk best dichtbij is, besloten ze eens te gaan kijken. Het was direct raak en ze waagden het erop. ,,We doen het, wat kan ons nu eigenlijk gebeuren?”, wogen ze af.

Het rijtjeshuis in de Rikkert Jacobstraat schaften ze voor 31.000 gulden aan, en ze kregen ook nog 4.000 gulden premie van de gemeente voor hun komst naar de dunbevolkte uithoek.

Eigen bedrijf

Familie en kennissen keken hun met grote ogen aan wanneer ze vertelden in Spakenburg te gaan wonen. Ze maakten er maar ‘Bunschoten’ van, dat leverde minder verbaasde reacties op. Hij was intussen zijn eigen bedrijf begonnen als administratieve dienstverlener voor de autobranche. De drive-inwoningen met kantoorruimte, die nieuw werden gebouwd aan de Da Costastraat, waren dus geknipt voor hem. Later kochten ze een lap grond aan de Schouw en lieten daar zelf een huis bouwen, waar ze 27 jaar later nog wonen. En nog heel lang hopen te wonen.

Sigarettenautomaat dichtgeplakt

Ze waren in de beginjaren altijd druk aan het werk buiten hun woonplaats. Hij in Hilversum en later in Baarn. Zij in Hollandse Rading bij een bakker. Er was dus geen tijd, maar ook geen behoefte, om erg actief op te gaan in de gemeenschap. Vrijwilligerswerk op de school van hun kinderen deed zij wel.

En toch hadden ze het van meet af aan naar hun zin hier. Leven en laten leven met respect voor de lokale gebruiken, was en is hun motto. Dat tijdens hun eerste jaren de sigarettenautomaat op zondag was dichtgeplakt om niet gebruikt te kunnen worden, ging, vooral toenmalig roker Arie, wel wat ver. Maar verder vonden ze het best prettig, die rustige zondagen. Janny: ,,En dat weet je ook, als je hier komt wonen.”

Grote vertrouwen

Zij was al gewend aan het leven in een dorp. Hij ging de gemoedelijkheid en toegankelijkheid gaandeweg erg waarderen. ,,Ik pas wel in dat dorpse, de omgang gaat gemakkelijk. De gemeenschap kijkt ook nog naar elkaar om, soms iets te veel, maar daar maak ik me niet druk om. Ze mogen alles van me weten. We voelen ons thuis hier.” Janny: ,,Als er iets is, kun je altijd bij de buren terecht. Dat is heel fijn.”

Arie verbaasde zich aanvankelijk over ‘het grote vertrouwen dat de mensen hier in elkaar hebben’. ,,Zo kreeg ik eens een hele kist met meubelwas mee naar huis om mijn kast te behandelen. Kijk maar wat je gebruikt, zei de verkoper.”

Ook krijgt het gemeentebestuur door de jaren een pluim van hem. ,,Daar zitten over het algemeen eigen mensen in en er wordt goed met het geld omgegaan.”

Groentetuin

Ze zijn intussen achterin de zeventig en allebei met pensioen. Import voelen ze zich niet meer, merkt Janny op. ,,We zijn over dat punt heen, we worden ook geen vreemden meer genoemd.” Zij stopte met haar werk bij een supermarkt in het dorp, hij deed zijn zaak over aan hun zoon. Dochter vloog uit, maar zoon is een Spakenburger. Ze steken hem nog wel eens de helpende hand toe bij omvangrijke opdrachten.

Aries grote hobby is zijn groentetuin, met een knipoog naar zijn jeugd. Want zijn vader dreef een groentezaak in Hilversum. Nu eten ze de hele zomer gezond en gevarieerd van eigen, onbespoten grond, en in de winter is er nog een voorraad van de moestuin in de diepvries.

Met corona zijn ook Arie en Janny Landwaart wel klaar en ze kijken uit naar die vele gezellige dagen die in het dorp weer georganiseerd mogen worden. Zoals de Visserijdag. Dan komen hun vrienden over uit Duitsland. Een hechte vriendschap die is ontstaan tijdens de zomerse bierfeesten die ze in jongere jaren daar altijd bezochten.

Door de ogen van hun Duitse gasten beseffen ze tijdens zo’n lokale feestdag hoe zeer ze op hun plek zijn. ,,Ze zijn helemaal gek van Spakenburg.”